vrijdag 16 november 2012

En nu de transitparkeerterreinen

Bron: Brusselnieuws 16/11/2012 Brussel, Vlaanderen en Wallonië gaan binnenkort praten over het gebrek aan transitparkings rond Brussel. Wel  zitten Vlaanderen en Brussel al rond de tafel over de geplande tramlijnen van De Lijn.
Gewesten praten over transitparkings

Gewesten praten over transitparkings

De Brusselse regering beloofde eerder 16.200 parkeerplaatsen voor pendelaars die van de auto willen overstappen op het openbaar vervoer maar daar kwam nog niet veel van in huis.
"De parkings zijn te duur", zegt minister van Vervoer Brigitte Grouwels (CD&V) in De Morgen. "De beschikbare ruimte in Brussel is zo schaars dat we in de hoogte of in de diepte moeten werken. Daardoor stijgt de kostprijs enorm. Een parkeerplaats in een ondergrondse parking kost 30.000 euro, in een parkeertoren 20.000 euro." De minister hoopt op federaal geld via Beliris en interesse van de privésector (zie verder).
Grouwels wil de andere gewesten ook aanzetten om ook bij hen te investeren in transitparkings. "Brussel is geen eiland en het Brussels Gewest kan de kosten onmogelijk alleen dragen, dus zullen Vlaanderen en Wallonië mee hun verantwoordelijkheid moeten opnemen. Het is de bedoeling dat pendelaars zoveel mogelijk hun auto kwijt kunnen bij GEN-stations in hun eigen gewest. De Brusselse parkings zijn enkel bedoeld voor de mensen die in de buurt wonen."
Dagelijks pendelen naar schatting 360.000 mensen uit Vlaanderen en Wallonië naar de hoofdstad.
PPS-constructies
Grouwels gaat dus op zoek naar privépartners voor de bouw en het beheer van transitparkings binnen Brussel. "We willen nagaan voor welke parkings er interesse is voor PPS-constructies", zegt de woordvoerder van Grouwels aan brusselnieuws.be. "Binnenkort lanceren we een oproep." Daarnaast wil de minister de bestaande gewestelijke parkings uitbouwen. Grouwels roept de nieuwe gemeentebesturen op om constructief met het Gewest samen te werken.
De zeven bestaande parkings zijn: Coovi/Ceria, Kraainem, Delta, Reyers, Roodebeek, Stalle en Lennik-Erasmus. "Geen enkele van deze parkings wordt vandaag al echt uitgebaat als een volwaardige transitparking voor pendelaars. Daar waar mogelijk komt daar binnenkort verandering in. Eens het parkeeragentschap operationeel is en de laatste technische belemmeringen opgelost, kunnen de transitparkings in overleg met de MIVB voorbehouden worden voor gebruikers met een Mobib-kaart."
In het mobiliteitsplan Iris 2 zijn nog eens zeven overstapparkings gepland. Het gaat om de volgende locaties:
➧ Bordet: bereikbaar vanaf de A201, bediend door het GEN en in de toekomst de metro;
➧ Berchem: gelegen op de E40 en bediend door het GEN;
➧ Heizel: vlakbij de Ring en bediend door de metro en verschillende tramlijnen;
➧ Reyers: op het einde van de E40, bediend door trams (premetro);
➧ Vorst Zuid: vlakbij de Ring en het GEN;
➧ Weststation-Beekkant, knooppunt van metrolijnen
➧ Moensberg: bij de kruising van twee GEN-lijnen.

Geen grootschalige recreatie op de Meigemheide in Beersel



Het door de gemeenteraad  van Beersel goedgekeurde  Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan  (mei 2012) stelt op pagina  192 van het tekstboek :

“In het grootschalige gebied tussen de Dikkemeerweg en de Meighemheidestraat te Alsemberg ligt een op het gewestplan als recreatiegebied aangeduid gebied.. De gemeente wenst hier een ontspanningsgebied uit te bouwen in het kader van plattelandsontwikkeling met verblijfsrecreatie (B&B, hotel…). Het gaat om een goed ontsloten gebied omgeven door landbouw, natuur en woonweefsel. Om dit te verwezenlijken kan de gemeente indien nodig en/of gewenst een RUP (ruimtelijk uitvoeringsplan) opmaken. Dit RUP dient minimaal te voldoen aan volgende randvoorwaarden:
- de ontsluiting van het gebied gebeurt verplicht via de Sanatoriumstraat;
- de bebouwing is gericht op de Sanatoriumstraat en niet op de Dikkemeerweg en/of Meigemheidestraat;
- de activiteiten in het recreatiegebied dienen aan te sluiten bij het voormalig hotel;
- het gaat om laagdynamische verblijfsrecreatie;
- de ontwikkeling van hoogdynamische recreatie is uitgesloten;
- de activiteiten mogen geen afbreuk doen aan de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving;
- de activiteiten mogen geen hinder veroorzaken die niet door het nemen van maatregelen kan beperkt blijven tot de site “

(einde citaat)

Vanzelfsprekend zijn de beleidsmensen zo verstandig om in al hun formuleringen zo vaag te blijven, dat men toch nog vele kanten uit kan. Wie bepaalt wat het verschil is tussen hoog- en laagdynamisch?  En “geen hinder veroorzaken” is  al even elastisch.

Op pagina  220  van het tekstboek wordt dan gesteld dat de realisatie van deze recreatiezone een Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan vergt, d.w.z.. dat er opnieuw een hele procedure van inspraak en openbaar onderzoek nodig is. Dit is natuurlijk een  belangrijk element en toch een zekere geruststelling.

zondag 11 november 2012

Nieuw natuurgebeid Sint-Pieters-Leeuw

Begin April heeft Natuurpunt Sint Pieters Leeuw een weide perceel van 1 h 41 aangekocht in de Oudenakenstraat. Dit prachtig weiland ligt tussen de Zuunbeek en de Oudenakenstraat op zo’n 750 meter van de Brabantse baan. Het gebied is op het gewestplan volledig ingetekend als natuurgebied en is daarenboven volledig ook GEN-gebied (Grote Eenheid Natuur) en HABITAT-richtlijngebied.

Etienne Larock, secretaris Natuurpunt Sint-Pieters-Leeuw: ” Door deze aankoop is de totale grootte van het natuurgebied Zuunvallei 15 ha 8. Dit is opgesplitst in 4 kernen: “Oude Zuun” (ter hoogte van het Slesbroek wachtbekken), “Volsembroek” (ter hoogte van het wachtbekken van Volsem) , “Baesberg” (ter hoogte van de Brabantse baan) en nu aangevuld met de “Weyden” (Oudenakenstraat).
De “Weyden” is een typisch vochtig weide/hooiland. Typische plantengroei van diverse hooi- en weidebiotopen zijn Dotterbloem, Slanke sleutelbloem en Echte koekoeksbloem. Aangepast beheer van de overbegraasde weide zal deze typische plantengroei maar ook de bijbehorende vlinderssoorten meer ontwikkelingsmogelijkheden bieden. De conservators van het gebied zijn Geert Cromphout met Peter Dries.
Deze nieuwe aanwinst verhoogt de natuurwaarde van de Zuunbeek en zijn vallei als groene long van Sint-Pieters-Leeuw. Maar de vele recreanten zoals wandelaars en fietsers die de Oudenakenstraat als populaire weg gebruiken zullen in de toekomst in het voorjaar van een bloemenpracht en de natuur kunnen genieten.”

Goed Vlaams Beleid

Leidraad voor een goed Vlaams beleid - 06/11/2012

Vlaams minister van Binnenlands Bestuur en Vlaamse Rand Geert Bourgeois stelt een leidraad voor de nieuw verkozen raadsleden in de Vlaamse Rand voor. De leidraad moet hen ondersteunen in hun beleid.
Binnenkort beginnen de nieuw verkozen gemeente-, OCMW- en provincieraadsleden van de Vlaamse Rand aan hun taak. Ze zullen dan vaak geconfronteerd worden met nieuwe uitdagingen.
‘We kozen er bewust voor om de publicatie van deze leidraad te verspreiden na de gemeente- en provincieraadsverkiezingen’, zegt Geert Bourgeois. ‘Elke nieuw verkozen mandataris zal persoonlijk een exemplaar ontvangen. Op die manier krijgen ze de tijd en ruimte om de vele, nuttige tips en richtlijnen te bestuderen en te integreren, volgens de behoeften van de gemeente.’
De pocket omvat o.a.:
-       taalwetgeving in de Vlaamse Rand
-       richtlijnen over het woonbeleid in de Vlaamse Rand
-       hulp voor het opstarten en uitwerken van een taalbeleid
-       tips over het opstarten en uitwerken van een integratiebeleid
De pocket verwijst daarbij naar de expertise in verband met taalbeleid en -promotie van de overheid, vzw ‘de Rand’, de provincie Vlaams-Brabant, het Huis van het Nederlands, het Provinciaal Integratiecentrum e.a. Hij wil duidelijkheid brengen, zodat iedereen de weg vindt naar de juiste partner.
Naast de gedrukte versie bestaat er ook een digitale versie.
Meer informatie?
www.vlaamserand.be
Peter Buysrogge (woordvoerder minister Bourgeois), 02 552 69 80, peter.buysrogge@vlaanderen.be

donderdag 8 november 2012

Nieuwe Politieke Cultuur in Beersel



Boze Burger ten aanval
In de hoofrol Beersel als Selfkicker
Nieuwe Politieke Cultuur

“Ik heb vernomen dat de politici in Beersel vooral zichzelf adviseren.  Bedkamergeheimen worden schaamteloos gedeeld, maar ik als gewone boze burger, word buitenspel gezet”, zo schrijft ons een anoniem ambetant bestuurslid van die pretentieuze Streekvereniging Zenne en Zoniën. Dat laten wij niet over onze kam gaan. Intussen hebben wij dus een beetje ge-googled en een en ander aan de werkelijkheid getoetst. Want het gaat om onze core-business, de ruimtelijke ordening. En haar Beersels adviserend orgaan, de GECORO, gemeentelijke commissie voor Ruimtelijke Ordening. Onze bevindingen tonen aan dat, in tegenstelling tot wat bovengenoemde zuurpruim Boze Burger beweert, de Gecoro bevolkt is met onschuldige schaapjes. Ons rapport:

De Gecoro telt 13 effectieve leden (waaronder de voorzitter) en 12 plaatsvervangers.
Zij worden door de gemeenteraad aangesteld en hebben de wettelijke opdracht om het gemeentebestuur in alle onafhankelijkheid van advies te dienen....

Indien we alleen al focussen op de 13 effectieve leden van de Gecoro, dan valt het volgende op:

De voorzitter van de Gecoro is  de huidige voorzitter van de lokale afdeling van de grootste meerderheidspartij in Beersel, alsook echtgenoot van een gemeenteraadslid van de partij waarvan hij voorzitter is.

Onder de overige effectieve leden telt men maar vijf personen die aantoonbaar aan de politiek kunnen worden gelinkt: 
- één gewezen voorzitter van de lokale afdeling van de grootste meerderheidspartij in Beersel (deze zou thans ontslagnemend zijn),
- één echtgenote van een gemeenteraadslid van de grootste meerderheidspartij;  
- één echtgenote van een gemeenteraadslid van een oppositiepartij (het gemeenteraadslid zelf is ook plaatsvervangend lid van de Gecoro);  
- één lid dat bestuurslid is van een meerderheidspartij en dat tijdens de laatste federale en Vlaamse parlementsverkiezingen (2007 en 2009) als kandidaat voor die partij is opgekomen;
 - de vader van een zetelend schepen... 
  
Wij van onze kant  twijfelen niet aan de competentie en de inzet van deze mensen, en zijn er heilig van overtuigd dat dit een uiterst normale en gezonde situatie is.  Ze slapen allemaal in hetzelfde Nest, dus kunnen ze niet anders dan het allemaal grondig met mekaar eens zijn. Dat noemen wij nu eens echte en efficiënte democratie.

Onze Boze Burger dacht ons in het Engels in het hoekje te duwen met de vaststelling dat in het recht geldt "justice must not only be done, it must also be seen to be done".  En hij vervolgt scherpzinnig:

Wanneer men andermans gedragingen beoordeelt, moet men zich niet alleen "mentaal" onpartijdig opstellen, men mag zelfs geen schijn van partijdigheid laten bestaan. 

Indien men de Gecoro bevolkt met politieke, of aan de politiek gelinkte figuren, dan lijkt er minstens op dat laatste vlak een probleem te zijn.  

Stof tot nadenken voor onze gemeentelijke politici wanneer zij volgend jaar, ongetwijfeld met een pak goede intenties, een nieuwe Gecoro samenstellen".

Was getekend: Boze Burger, bestuurder bij Zenne en Zoniën
Onpartijdig, maar niet neutraal “

Onze vraag: hoe lang moeten wij die ambetanterik nog aan het woord laten. Een echte opruier! Gelukkig zijn wij niet allemaal met mekaar getrouwd en slapen wij zeker niet in het zelfde nest.  Van die pestvent, geen luizen! Beerselse politici: doe zo voort. De partij zal het u lonen. Goed nadenken  en zeker niet vergeten al uw beste vriendjes in die adviesraden te stoppen. Niets beter dan uzelf te adviseren, dan zijt ge nog zekerder dat ge absoluut gelijk hebt.

dinsdag 6 november 2012

Verstedelijking Zenne en Zoniën onvermijdelijk




 Zijn wij met nutteloze initiatieven onze tijd aan het verliezen? Lees volgende bijdrage in De Morgen en reageer op dit artikel. Bron: De Morgen/ Auteur Michel Vandersmissen.

DE MORGEN • ZATERDAG 27 OKTOBER 2012   Focus
 De grootstad groeit of beter gezegd een metropool Brussel
 Aalst, Mechelen, Louvain-La-Neuve, Dendermonde, Asse en Vilvoorde worden `banlieues' van Groot-Brussel,dat drie miljoen inwoners zal tellen
50000 Brusselaars verhuisden 'in tier jaar naar andere kant van ring,
70 procent Brusselaars kan het financieel niet aan in kernstad te blijven wonen
200000 inwoners komen er bij, in Brussel tegen 2020


Louis Tobback zal het wel niet graag horen, maar eigenlijk wordt (is) zijn Leuven een voorstad of `banlieue' van Brussel.
Net als Aalst, waar Louis-Paul Boon in 1943 zijn tijd vooruit was toen hij De voorstad groeit schreef. Geen schepen van Vlaamse Aangelegenheden die dat kan tegenhouden.
Michel Vandersmissen


Aalst verfranst door inwijke­lingen uit Brussel. Vilvoorde vreest grotestadsproblemen met jongeren van buiten­landse afkomst die per trein naar de rand sporen. En hoe moet het verder met Ninove en Asse? De stad­jes binnen een cirkel van 30 kilometer rond Brussel maken zich grote zorgen over de uit­dijende stad aan de Zenne, de snelst groeiende hoofdstad van West-Europa. Geen groene of Vlaamse rand is daartegen bestand. Sterker nog, als straks het Gewestelijke Expresnet (Gen) klaar is, vrezen velen een echte banlieu­elisering van die Vlaamse rand en verder.

Die vrees leidde deze week onder meer in Aalst tot het idee om een schepen voor Vlaamse Aangelegenheden te benoemen. Professor Eric Corijn, sociaal demograaf aan de VUB en overtuigd stadsmens, vindt het maar niks. Een verkrampte en defensieve reactie op een onomkeerbaar proces, zegt hij.
Eerst de feiten. Brussel groeit als kool. Tegen 2020 komen er 200.000 inwoners bij en de stad is nu al één van de dichtstbevolkte van Europa. In 2010 groeide de bevolking aan met netto 30.000 Brusselaars, vorig jaar met 20.000. In de armste Brusselse gemeenten, zoals Anderlecht, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node stijgt de bevolking nog sneller, met 3 tot 4 procent per jaar.

Die druk van binnenuit is onhoudbaar en dus migreerden de voorbije tien jaar bijna 50.000 Brusselaars naar de andere kant van de Brusselse ring. Gemeenten als Dilbeek, Zaventem en Sint-Pieters-Leeuw schreven tot 500 jonge Brusselse gezinnen per jaar in. Vilvoorde ontvangt jaarlijks tot 650 Brusselse gezinnen, vooral omdat de woningen er goedkoper zijn en het aantal sociale wonin­gen groter.
Die instroom zorgde er op haar beurt voor dat gezinnen uit deze randgemeenten `weg­vluchten' voor de Franstalige en gekleurde nieuwkomers uit Brussel. Ze zochten hun heil verderop in het `hinterland', zoals in Halle, Opwijk, Steenokkerzeel en Ternat, maar het heeft er alle schijn van dat zij opnieuw inge­haald worden door wat negatief wordt beschreven als de olievlek Brussel.

Dat van die sociale woningen is niet onbe­langrijk. Professor Corijn wijst er op dat de Brusselse woningmarkt grotendeels een parti­culiere aangelegenheid is. Meer dan 80 procent van de bevolking huurt er een huis, ter­wijl in Vlaanderen twee derde van de bevolking huiseigenaar is. Slechts 8 procent van de huizen is een sociale woning, terwijl meer dan de helft van de Brusselse gezinnen aan alle voorwaarden voldoet om in aanmer­king te  komen voor een sociale woning. Gevolg: de minst gegoede mensen worden uit de wijken gedreven. Voor 70 procent van de Brusselaars is het te duur om in de kernstad te blijven wonen. Zowel de arme gezinnen als de starters zoeken een uitweg.

Maar het was lang niet altijd zo, legt Corijn uit. Bij het begin van de naoorlogse industriali­sering waren er vele duizenden nijvere arbei­ders nodig vanuit het landelijke Vlaanderen om de nieuwe fabrieken te bemannen. Deze nieuwe arbeiders werden, zeker door de toen­malige CVP,  overtuigd om in eigen streek te blijven wonen en de industriële complexen werden zoveel mogelijk aan de stadsranden op goed geëquipeerde industrieterreinen gebouwd. Dat heeft de stadsvlucht enorm versterkt. De welvaart steeg en daarmee ook het residentieel wonen. De bevolking werd niet geconcentreerd in de steden, maar verspreid, met de lintbebouwing als leidraad. Er kwam weliswaar een verstedelijking, maar dan vooral in kleinstedelijke kernen.
Zo komt het dat een Wemmelaar, die vlak bij de grootstad woont, eigenlijk nog steeds dat subjectieve gevoel heeft in een rurale omgeving te wonen. In een dorp en niet in Groot-Brussel.


Toename stadsbevolking

De voorbije jaren is er evenwel een tegenbe­weging op gang gekomen. De industrialise­ring aan de rand van de stad dooft uit en een postindustriële beweging heeft zich op gang getrokken in de kernstad, door de groei van de dienstensector, de verzorgingseconomie, het toerisme, kleine internetbedrijven, reclame­bureaus enz. Die beweging heeft voor een rij­kere middenklasse gezorgd die graag weer in de hippe kernstad woont, werkt en leeft.
In plaats van een verspreiding is er sinds 1995 opnieuw sprake van een densificatie of toename van de stadsbevolking.
Brussel groeit niet alleen als snelste van alle Belgische steden, het heeft ook een erg jonge bevolking. Het ene is het gevolg van het andere. In 1981 was de Brusselse bevolking nog de oudste van het land, nu de jongste met een gemiddelde leeftijd van 37,5 jaar.
Volgens Eric Corijn moeten we daarbij het idee van de grote migrantenfamilies uit ons hoofd zetten. "Die tijd is voorbij. Ook deze gezinnen hebben gemiddeld 2,2 kinderen per gezin, vergelijkbaar met de Belgische huis­houdens in Brussel. Het aantal gezinnen in Brussel met meer dan zes familieleden (dat kunnen kinderen, maar ook inwonende ouders zijn) bedraagt slechts 5 procent in Brussel. De hoofdstad groeit snel omdat ze proportioneel veel jonge gezinnen heeft."
De andere bron voor de bevolkingsgroei is  de migratie. "Volgens mijn cijfers heeft 56 procent van de Brusselse bevolking geen Belgo-Belgische roots", zegt Corijn. Het gaat om migranten, maar ook om vele duizenden buitenlanders die in de talloze buitenlandse instellingen in Brussel werken, zeer goed opgeleid zijn en goed ver­dienen. Brussel is daardoor de hoogst opgeleide stad van West-Europa, maar tegelijkertijd een stad met een zeer hoge werkloosheid en een zeer arme bevolking.'
De gemeenten en stadjes in de periferie van Brussel behielden lange tijd dat rurale gevoel omdat de streek niet echt volgebouwd was. Huisje, tuintje kon nog. Dat zal volgens profes­sor Corijn snel veranderen, want waar moe­ten die 200.000 nieuwe Brusselaars immers gaan wonen?  "De hele groene rand rond Brussel zal verdicht en verstedelijkt geraken."
Maar tegelijkertijd ook verdund door de aan­leg van bijvoorbeeld stadsbossen en recreatie­gebieden.'
Volgens hem is daarbij niet de afstand tot de kernstad belangrijk, wel de bereikbaar­heid. Bijvoorbeeld waar er stopplaatsen zijn van het openbaar vervoer. Aalst ligt bijvoor­beeld slechts op een kwartiertje sporen van het centrum van Brussel. Ideaal dus om te  pendelen, zeker als je op zoek bent naar een betaalbare woning.


Gewestelijk Expresnet

Hier wordt het Gewestelijk Expresnet (GEN) belangrijk. Dat staat voor de uitbouw van een uitgebreid en snel voorstadsnetwerk met spoorlijnen van en naar Brussel. Het netwerk had dit jaar eigenlijk klaar moeten zijn, maar zoals wel meer in dit land liep ook dit grote bouwproject vele jaren vertraging op. Men mikt nu op 2022.
In een straal van 30 kilometer rond Brussel komen snelle spoorverbindingen waar tijdens de spitsuren om het kwartier een trein stopt. Als je het grondplan ziet van wat het uiteinde­lijk moet worden (zie kaart) moet je onwille­keurig denken aan het metronet van Londen of het Reseau Express Regional (RER) rond Parijs.
Wat zijn de eindhaltes van die snelle spoor­lijnen? Villers-La-Ville, Nijvel, Louvain-la­Neuve, Leuven, Mechelen, Dendermonde, Aalst, Zottegem en Geraardsbergen. Of samengevat de grenzen van het metropoli­tane gebied Brussel. Dat zal volgens professor Corijn uiteindelijk zo'n 3 miljoen groot­Brusselaars verenigen.
"Eigenlijk moet je het een polycentrische stad noemen die grosso modo de twee Brabanten verenigt in een verstedelijkt gebied." Maar dat gebied heeft wel sociolo­gisch en cultureel verschillende delen.

Corijn noemt bijvoorbeeld de as Vilvoorde- Mechelen als industrieel deelgebied. Dat vormt een onderdeel van de aloude economi­sche as Antwerpen-Brussel-Charleroi. De bevolking werkt nog in de industrie, is eerder arbeider en behoort tot de lagere sociale klas­sen, vaak met een buitenlandse afkomst.
Een tweede as is die tussen Leuven en Louvain-la-Neuve, waarop de campus van de ULB en de VUB aansluit. In die driehoek moet ooit komen wat Silicon Valley is voor Californië. De bevolking is er internationaler, hoger opgeleid en rijker.
Het Pajottenland aan de westkant, met de oude textielkernen van Aalst, Dendermonde en Ninove, wordt volgens Eric Corijn dan weer het reservoir van pendelende werkne­mers die sterk op Brussel gericht zijn. "Het zijn de  tweeverdieners, die op zoek zijn naar een betaalbare woning, zeg maar de bedien­den. Ze werken in Brussel en wonen in de voorstad."

Die voorsteden, zoals Aalst, zullen volgens hem ook niet overleven als centrumstad. Aalst zal zich straks geen eigen winkelcen­trum of bioscoopcomplex meer kunnen per­mitteren of het centrum kunnen zijn van grote culturele activiteiten. De verhoogde
mobiliteit en de verhoogde herkomst van de inwijkelingen maakt hen minder honkvast. Daardoor zullen de Aalstenaren veel meer dan nu in Brussel naar de film of het theater gaan en niet meer in Aalst zelf.

Politiek

De vraag is nu hoe de politiek moet reageren op deze metropool in wording. Professor Corijn ziet drie politieke spanningsvelden. "Het landelijke Vlaanderen was lange tijd CD&V-territorium. Sinds de jongste gemeen­teraadsverkiezingen wordt het hier aangeval­len door de N-VA. Beide partijen focussen zich op het behoud van dat landelijke Vlaanderen. De oude CD&V eerder vanwege familiale, christelijke motieven. De N -VA beroept zich op het Vlaamse volkskarakter. Gezien de secu­larisatie van Vlaanderen lijkt de N-VA een modern lekenalternatief voor de CD&V."
Het tweede spanningsveld komt door het multiculturele en multifunctionele karakter van de kernstad. Het is een samenleving die gebaseerd is op verschillen, op het anders zijn. Hier speelt de sp.a het best op in met de pro­jecten van stadsvernieuwing. Kijk naar
Leuven, Antwerpen, Gent en Oostende. "Stefaan De Clerck was eigenlijk de enige CD&V-burgemeester die dezelfde politiek voerde. Ook hij stelde de stadsvernieuwing heel centraal."
Tussen die twee polen heerst in de kleinere steden de grote twijfel : blijven we een groot dorp of worden we een kleine (voor)stad? Daartussen schuilen nationalistische motie­ven zoals bij Jan Jambon (N-VA), de nieuwe burgemeester van Brasschaat die zijn gemeente landelijk wil houden door een ver­lenging van de tram tegen te houden. `We gaan wel met de auto van Brasschaat naar de Meir of naar het MAS in Antwerpen, maar we willen niet dat het `schorremorrie' uit de stad met de tram de omgekeerde reis maakt', is de filosofie. Vergelijkbare motieven worden ook gebruikt om de Brusselse rand landelijk te houden of om de gordel rond Gent groen te kleuren.
Om die vele culturele, sociologische, poli­tieke en ruimtelijke problemen aan te pakken, moet de politiek de grote achterstand die het hier heeft opgelopen op het buitenland, snel inhalen. Anders riskeer je inderdaad een ban­lieuelisering in de slechte betekenis van het woord.
De stadsproblemen moeten en kunnen vol­gens professor Corijn niet worden opgelost door de gewesten. "Als je de problemen in Aalst door het uitdijende Brussel wilt aanpak­ken, zou je denken dat het Vlaamse en het Brusselse Gewest samen aan tafel moeten gaan zitten. Dat werkt niet. Die twee gewesten denken politiek veel te defensief en te concur­rentieel."
De oplossing bestaat er volgens hem in om de steden samen te laten werken. "Neem bij­voorbeeld Mortsel en Antwerpen. Mortsel heeft als gemeenteslogan: `De stad begint in Mortsel'. Neen, Mortsel is de stad. Het is één geworden met Antwerpen. De tram stopt niet aan de gemeentegrens en dus moeten Antwerpen en Mortsel beter samenwerken als het om mobiliteit gaat. Als Antwerpen straks een groot nieuw buitenzwembad wil, overlegt het best eerst met de buurgemeenten om de beste locatie te zoeken: '
Rijsel is volgens hem een goed voorbeeld. Het vormt samen met Roubaix, Kortrijk en Doornik een stedelijk aaneengesloten gebied. Toen Rijsel in 2004 Europese Culturele hoofd­stad was, organiseerde het een raad van bestuur waarin twintig burgemeesters mee beslisten. Daarbij ook die van Doornik en Kortrijk.
Een ander voorbeeld is de regio Hasselt, Maastricht, Aken, Luik. Die vier steden wer­ken samen op universitair vlak, voor de uit­bouw van een gezamenlijke regionale lucht­haven enz. Onze buurlanden hebben bijna allemaal dit soort bovenlokale, maar subre­gionale overlegplatformen. Belgie niet.'


`De groene rand rond Brussel zal verdicht en verstedelijkt geraken.                       
Maar tegelijkertijd ook verdund door de aanleg van bijvoorbeeld stadsbossen en recreatiegebieden.

 ERIC CORIJN
SOCIAAL DEMOGRAAF VUB